Biljarderen

Men biljardeert wanneer de pomerans van de keu nog in contact is met de speelbal op het ogenblik dat deze laatste de aanspeelbal raakt.

Men kan ook op de band biljarderen, wanneer de pomerans van de keu nog met de speelbal in contact is op het moment dat deze laatste de band raakt.
Het biljarderen vraagt bijzondere aandacht, omdat het een heel belangrijk onderdeel is van het biljartspel.
Het is eveneens de meest aangevochten fout, omdat tal van spelers zich niet met de gedachte kunnen verzoenen dat zij gebiljardeerd hebben.

 

De scheidsrechter beoordeelt het biljarderen in twee fasen:

  1. De eerste beoordeling wordt gedaan op het moment dat de ligging van dien aard is dat het biljarderen mogelijk geacht wordt. Bij het beoordelen van zo’n positie houdt de scheidsrechter voornamelijk rekening met de afstand die de speelbal van de aanspeelbal scheidt. Hoe kleiner de afstand is, des te groter de mogelijkheid om door te stoten (en dus te biljarderen).
    Dit weet de speler ook en hij kan zijn afstoot zo regelen dat de carambole zuiver gespeeld wordt. Dit zuiver afstoten gebeurt dan vaak ten koste van de positie van de ballen, omdat hij de ideale positie zal moeten opofferen.
    Dit zet de speler aan om dit toch maar niet te doen en dan wordt er gebiljardeerd.
    De arbiter zal dus ervaring moeten opdoen. Is hij een goed biljarter en heeft hij het arbitreren geleerd, dan zal hij een voordeel hebben om uit te maken of het punt correct uitgevoerd werd.
    De scheidsrechter anticipeert dus in de eerste fase.
  2. Het tweede deel van de beoordeling is de uitvoering van de carambole. Dit is uiteraard de belangrijkste fase. Hier zal hij nagaan hoe de speler zich plaatst om de carambole te spelen en zien hoe hij de stoot speelt. De arbiter volgt dus het spel van dichtbij.

De koppeling van deze twee waarnemingen is noodzakelijk om een juist oordeel te vormen.